Koen de Roo: ‘Het ondernemingsrecht moet zich terughoudend opstellen ten opzichte van maatschappelijke veranderingen’
Hoogleraar ondernemingsrecht Koen de Roo over governance, maatschappelijke verwachtingen en de grenzen van het ondernemingsrecht
Koen de Roo is per 1 maart 2026 benoemd tot hoogleraar ondernemingsrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De bijzondere leerstoel, ingesteld door het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen (NGB), richt zich op onderwijs en onderzoek op het gebied van ondernemingsrecht en corporate governance.
De Roo’s onderzoek maakt deel uit van het programma ‘Publieke en private belangen in het financieel en ondernemingsrecht’. Daarnaast maakt hij deel uit van de leiding van het Zuidas Instituut voor Financieel recht en Ondernemingsrecht (ZIFO), het wetenschappelijke centrum van de VU voor onderzoek en debat over financieel recht en ondernemingsrecht. ZIFO is een wetenschappelijk platform voor onderzoekers, talentvolle studenten en wetenschappelijk georiënteerde juristen werkzaam in de praktijk, met inbegrip van het bedrijfsleven.
Binnen de Faculteit Rechtsgeleerdheid neemt het ondernemingsrecht een prominente positie in, mede door de groeiende maatschappelijke relevantie van dit vakgebied. De visie op de rol van ondernemingen in de samenleving ontwikkelt zich snel, onder invloed van veranderende verwachtingen op het gebied van verantwoordelijkheid, mensenrechten en duurzaamheid. Wet- en regelgeving én jurisprudentie volgen elkaar in hoog tempo op, wat leidt tot complexe normen die concernbreed doorwerken.
Deze ontwikkelingen stellen nieuwe eisen aan besturen van vennootschappen en concerns, maar ook aan raden van commissarissen, aandeelhouders en hun adviseurs. Vraagstukken rondom de verhouding tussen concernleiding en dochtervennootschappen, bestuur en raad van commissarissen en tussen bestuur en aandeelhouders worden hierdoor steeds uitdagender. De veranderende maatschappelijke normen die worden gesteld aan ondernemingen maken een nadere doordenking van de wettelijke bestuurstaak en herijking van de governance van ondernemingen noodzakelijk.
U bent onlangs benoemd op de leerstoel Governance van Ondernemingen. Wat houdt u binnen het ondernemingsrecht bezig als het gaat om het snijvlak van ondernemingsrecht, governance en maatschappelijke verantwoordelijkheid?
‘Ik onderzoek rechtsvormen waarmee mensen ondernemen, vooral rechtspersonen. Dat er maatschappelijke verwachtingen aan dat vakgebied worden gesteld is niet bijzonder. Dat geldt net zo goed in het aansprakelijkheidsrecht of het arbeidsrecht. Het is daarmee trouwens niet minder reëel: in mijn werk als advocaat in de corporate litigation praktijk van Stibbe zie ik het terug in adviesvragen van cliënten, en uiteindelijk ook in de rechtszaal, niet alleen in de collegezaal. Wat mij bezighoudt, is in hoeverre het ondernemingsrecht een bruikbare gereedschapskist kan blijven als het door die verwachtingen steeds op de proef wordt gesteld? Kan het ondernemingsrecht nog wel voorspelbaar blijven als het voortdurend wordt bespeeld door 'maatschappelijke ontwikkelingen'? Voor een deel is dat onvermijdelijk. Maar houvast is ook een maatschappelijk goed.’
Die maatschappelijke opvattingen over ondernemingen evolueren continu. In hoeverre moet het ondernemingsrecht daarin meebewegen?
‘Opvattingen over ondernemingen – en over aandeelhouders, bestuurders, commissarissen – veranderen voortdurend. De vraag is dan: als die opvattingen bewegen, beweegt het ondernemingsrecht mee? Een voorbeeld. De rechtspraak is de afgelopen jaren behoorlijk streng geweest voor 'activistische aandeelhouders'. Vermoedelijk omdat zij werden gezien als uit op snel gewin, ten koste van de stakeholders die door het bestuur of de commissarissen beschermd moesten worden. Maar wat nu als activisten 'maatschappelijker' worden? Want dát gebeurt. Denk aan milieuactivisten die zich in beursvennootschappen inkopen. Als zij nu een punt op de agenda voor een AVA willen krijgen, kunnen zij vrij makkelijk met een kluitje in het riet worden gestuurd. Want ze mogen zich niet met de strategie 'bemoeien'. Dat is zo omdat het ondernemingsrecht is meebewogen met hoe de maatschappelijke wind stond toen aandeelhouders de gebeten hond waren. De les hieruit is volgens mij dat het ondernemingsrecht zich terughoudend moet opstellen ten opzichte van maatschappelijke veranderingen, omdat de wind ook zomaar kan keren.’
‘Ik vraag mij af of het ondernemingsrecht zich niet bescheidener zou moeten opstellen en meer aansluiting moet zoeken bij het algemene privaatrecht.’
Tegelijkertijd wordt in de leerstoelbeschrijving gesproken over een herijking van de governance van ondernemingen. Welke ontwikkeling ziet u daarin?
‘Tot kortgeleden was de algemene opvatting dat de aandeelhouder de hoogste macht in de vennootschap had. Die gedachte raakte in de naoorlogse periode op de achtergrond. Het wettelijk systeem heeft dat uitgangspunt echter nooit helemaal verlaten. De algemene vergadering benoemt, ontslaat, wijzigt statuten, en bepaalt of de vennootschap überhaupt blijft voortbestaan. Bovendien zijn de bevoegdheden van aandeelhouders grotendeels discretionair. Aandeelhouders bepalen hoe zij hun bevoegdheden gebruiken, zoals een eigenaar omgaat met zijn eigendom. Wat mij opvalt is dat ESG-wetgeving – zoals de CSRD en de CSDDD – een sterke centrale leiding door aandeelhouders in concerns veronderstelt. Die centrale leiding staat ook vaak centraal in de nu opkomende ESG-massaclaims, gericht tegen holdings over gebeurtenissen bij hun dochters. Deze ontwikkelingen stroken met de klassieke gedachte van de vennootschap als instrument van de aandeelhouders. In zoverre is de herijking al gaande.’
Wat betekent de groeiende aandacht voor duurzaamheid, mensenrechten en maatschappelijke verantwoordelijkheid voor het ondernemingsrecht als vakgebied?
‘Naarmate er meer van ondernemingen wordt gevraagd, wordt er ook meer een beroep gedaan op vage normen om die maatschappelijke kwesties in te gieten – redelijkheid en billijkheid, behoorlijk bestuur, behoorlijk ondernemerschap, noem maar op. Hoe meer dat gebeurt, hoe meer die normen zich afzonderlijk dreigen te ontwikkelen. Het ondernemingsrecht kan op deze manier afdrijven van de rest van het privaatrecht. Dat kan uiteraard. Maar de bruikbaarheid lijdt eronder als het ondernemingsrecht antwoord B geeft waar iedereen met een beetje kennis van het privaatrecht antwoord A verwacht. Neem iets eenvoudigs als de onrechtmatige daad. Er is vrijwel altijd discussie mogelijk over de vraag of een rechtspersoon in een specifiek geval onrechtmatig handelt. Bestuurders wordt door de Hoge Raad meegegeven dat een rechtspersoon een 'zelfstandig belang heeft bij de naleving van wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid'. Zit er licht tussen die overweging en de vraag of de rechtspersoon onrechtmatig handelt? Ik zou het niet weten. Ik vraag mij af of het ondernemingsrecht zich niet bescheidener zou moeten opstellen en meer aansluiting moet zoeken bij het algemene privaatrecht.’
Die ontwikkeling raakt ook rechtstreeks de praktijk. Welke governance-uitdagingen ziet u voor bestuurders en juridische afdelingen wanneer normen en regelgeving concernbreed moeten worden toegepast?
‘Een variatie op het thema van mijn antwoord hiervoor. Moedervennootschappen hebben, ook vanwege een toename van wet- en regelgeving op allerhande terreinen, in toenemende mate een verantwoordelijkheid om concernbreed de teugels aan te halen als het gaat om compliance. Dat wordt lastig in een 'multipolaire wereld' waarin jurisdicties zich weinig gelegen laten liggen aan wat elders geldt. Denk aan sanctieregimes met extraterritoriale pretenties van grootmachten als China en de VS, die soms in reactie op elkaar worden ontworpen waardoor naleving van de een en naleving van de ander elkaar uitsluiten. Van een bestuurder wordt verwacht dat hij of zij zorgt voor concernbrede compliance. Dat klinkt op zichzelf logisch, maar het kan vaak gewoon niet. Het ondernemingsrecht heeft nog geen scherp antwoord op hoe met dat soort conflicterende regels om te gaan.’
Hoe kijkt u naar de spanning die veel ondernemingen ervaren tussen financiële prestaties op korte termijn en maatschappelijke belangen op lange termijn?
‘In veel gevallen moet die spanning niet worden overdreven. Maatschappelijke verwachtingen werken steeds vaker via financiers, klanten en de 'markt voor talent'. Om het eenvoudig te zeggen: de bottom line wordt steeds groener. Dat gezegd zijnde resteert er natuurlijk altijd een categorie van maatschappelijke wensen zonder business case. Het duidelijkste voorbeeld is het belang van toekomstige generaties, omdat die belanghebbenden nog niet bestaan. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overwoog kortgeleden dat de rechter die belangen moet beschermen omdat ze niet vertegenwoordigd zijn in het politieke proces. Het klopt dat die toekomstige generaties niet in het stemhokje staan. Maar goed, dat geldt ook voor kinderen en dieren. Het is een wat pessimistische houding om aan te nemen dat het democratisch proces hier niets kan doen. Een laag vertrouwen in de politiek ombuigen tot een vergroot vertrouwen in ondernemingen lijkt mij sowieso de verkeerde route. Van een bestuur kan niet worden verwacht dat het maatschappelijke problemen oplost zonder dat die maatschappij de weg wijst. Voor problemen die de markt niet oplost, moet de wetgever normen stellen. Daar moet de balans vandaan komen.’
Waar wilt u met de leerstoel de komende jaren zelf vooral de aandacht op vestigen?
‘De laatste jaren gaat veel aandacht uit naar ESG en zogeheten 'negatieve externaliteiten' van ondernemingen. Dat is begrijpelijk. Maar maatschappelijke uitdagingen zijn breder dan dat, en dat geldt ook voor de vraag of bestaande wet- en regelgeving daaraan bijdraagt of juist in de weg zit. De rapporten Draghi en Letta op Europees niveau hebben aangekaart dat overregulering het concurrentievermogen van ondernemingen kan ondermijnen. Dat mag ons ook aanzetten tot een kritische blik naar binnen. Wat is er inmiddels dichtgeregeld? Waar is meer ruimte mogelijk, en hoe geef je die vorm? Die kant wil ik met mijn leerstoel op.’
Daarbij kan juist de praktijk van de NGB-leden waardevolle inzichten bieden. Welke rol ziet u voor bedrijfsjuristen, general counsels en corporate secretaries binnen uw onderzoeksagenda?
‘Nederlandse ondernemingen opereren zelden in een isolement. Dat betekent dat de NGB-achterban bij uitstek weet hoe het Nederlandse ondernemingsrecht afsteekt tegen de praktijk elders. Ik kan mij wel voorbeelden bedenken van Nederlandse ondernemingsrechtelijke bijzonderheden waar men in het buitenland de wenkbrauwen van optrekt. Neem decharge van bestuurders en commissarissen; absoluut geen staande praktijk in grote delen van de wereld, maar wel een praktijk die wij telkens weer moeten uitleggen omdat het in Nederland nu eenmaal usance is. Dat zal heus niet het enige voorbeeld zijn. Zijn er andere voorbeelden die de NGB-achterban kan bedenken van Nederlandse folklore die zij maar moeilijk kunnen uitleggen? En andersom: komen zij in het buitenland dingen tegen die daar al lang gangbaar zijn, maar waartoe Nederland zich verhoudt als het Gallische dorpje dat 'dapper weerstand bleef bieden'? Mijn oproep aan NGB-leden is: stuur me uw Gallische dorpjes. Hoekjes van ons ondernemingsrecht die over de grens met stomme verbazing bekeken worden, of andersom. Academici zien die voorbeelden niet. U wel.’
Tot slot: als u over vijf jaar terugkijkt, wanneer is deze leerstoel voor u persoonlijk een succes geweest?
‘Ik ben direct op mijn hoede als academici beweren dat ze binnen vijf jaar met eigen werk succesvol kunnen zijn. Vijf jaar is misschien lang voor mijn ijdelheid, maar heel kort in het recht. Ik zou het al een bescheiden succes vinden als een handvol rechters of parlementariërs iets terughoudender worden wanneer zij, ongetwijfeld met nobele bedoelingen, aan het ondernemingsrecht overwegen te sleutelen. Dat is geen herculische ambitie, maar heeft wel de charme dat ik haar misschien kan waarmaken.’
‘Mijn oproep aan NGB-leden is: stuur me uw Gallische dorpjes.’
‘Van een bestuur kan niet worden verwacht dat het maatschappelijke problemen oplost zonder dat die maatschappij de weg wijst.’
iNHOUDSOPGAVE
