NGB Extra
Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje
Mariëlle Broekman en Rachel de Jong, beiden advocaat bij La Gro

Na meer dan 40 jaar wordt de richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn 85/374/EEG) met ingang van 9 december 2026 ingetrokken. Zij blijft van toepassing op producten die vóór die datum in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Maar daarna gaat de nieuwe richtlijn inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten (Richtlijn (EU) 2024/2853) gelden. Wat zijn de belangrijkste veranderingen?
Even voorstellen
Mariëlle Broekman is partner in het team Commercial Contracts & Litigation van La Gro. Zij adviseert bedrijven over contracten, aansprakelijkheid, juridisch beleid, risicomanagement en (interne) compliance-onderzoeken. Zij heeft ruime ervaring als advocaat en (internationaal) bedrijfsjurist (Unilever en TNO) en doceert bij de Beroepsopleiding voor Bedrijfsjuristen.
Rachel de Jong werkt bij La Gro in het team Commercial Contracts & Litigation. Haar werkzaamheden bestaan onder meer uit het adviseren en procederen over (internationale) commerciële contracten, met bijzondere aandacht voor consumentenrecht.
Wat beoogt de richtlijn productaansprakelijkheid?
De Europese richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn 85/374/EEG) introduceerde een aansprakelijkheid voor schade door gebrekkige producten tegenover iedereen, en niet alleen tegenover de contractuele wederpartij, naast de gewone onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).
Sinds de invoering van de richtlijn is de Europese productmarkt aanzienlijk veranderd. In 1985 was het internet nog niet voor het grote publiek beschikbaar. Tegenwoordig wordt een groot deel van de aankopen via (buitenlandse) webshops gedaan en hebben we te maken met artificiële intelligentie (AI). Met de veranderende markt was ook een verandering in de regelgeving nodig. Daarom wordt de richtlijn vervangen door een nieuwe richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853).
De nieuwe richtlijn brengt software, waaronder AI, en de circulaire economie uitdrukkelijker binnen haar bereik. Het uitgangspunt is gelijk gebleven: een risicoaansprakelijkheid voor door natuurlijke personen geleden schade die wordt veroorzaakt door gebrekkige producten. De definities van product en schade worden uitgebreid, het wordt mogelijk om meer marktdeelnemers aansprakelijk te houden voor gebrekkige producten en de rechtsgang wordt voor benadeelden gemakkelijker gemaakt. Deze richtlijn zal van toepassing zijn op producten die op of na 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld.
Welke producten vallen onder de richtlijn?
De richtlijn is van toepassing op roerende zaken. Ook elektriciteit valt hieronder. Een roerende zaak die een bestanddeel van een andere roerende of onroerende zaak is gaan vormen, blijft een ‘product’ als bedoeld in de richtlijn.
In de nieuwe richtlijn wordt in artikel 4 een ruimere definitie van ‘product’ geïntroduceerd. Ook software (zoals besturingssystemen, firmware, computerprogramma’s, applicaties en AI-systemen) en digitale fabricagedossiers worden als product aangemerkt. Met een ‘digitaal fabricagedossier’ wordt de digitale versie van of de digitale template voor een roerende zaak bedoeld, die de functionele informatie bevat die nodig is om een tastbaar voorwerp te produceren door de geautomatiseerde besturing van machines of gereedschappen mogelijk te maken. Aansprakelijkheid voor gratis en opensourcesoftware die buiten het kader van een handelsactiviteit wordt ontwikkeld of geleverd, wordt door artikel 2 lid 2 uitgesloten.
De richtlijn is niet van toepassing op diensten, maar een digitale dienst die zodanig in een product is geïntegreerd of daarmee is verbonden dat het product zonder die dienst een of meer van zijn functies niet zou kunnen vervullen, wordt als ‘bijbehorende dienst’ binnen de reikwijdte van de richtlijn gebracht. Deze digitale dienst wordt beschouwd als component van het product wanneer zij onder zeggenschap van de fabrikant van dat product staat. In overweging 17 van de nieuwe richtlijn worden voorbeelden van bijbehorende diensten genoemd: de levering van verkeersgegevens in een navigatiesysteem, een gezondheidsmonitoringsdienst op basis van sensoren om de fysieke activiteit of gezondheidsgegevens van de gebruiker in de gaten te houden, een temperatuurregelingsdienst die de temperatuur van een slimme koelkast monitort en reguleert, en een spraakassistent-dienst die het mogelijk maakt producten te controleren door middel van spraakopdrachten. Internettoegangsdiensten worden niet aangemerkt als bijbehorende dienst, maar een product dat afhankelijk is van internettoegangsdiensten en er niet in slaagt om de veiligheid te handhaven wanneer de verbinding met het internet wegvalt, kan in het kader van de richtlijn als gebrekkig worden beschouwd.
Voor het collectief en het certificeringsmerk vormt het reglement van gebruik de kern. Zonder een deugdelijk reglement is de aanvraag niet ontvankelijk. Bij certificeringsmerken moet het reglement ook de controlemechanismen beschrijven. De houder moet daadwerkelijk in staat zijn naleving te beoordelen en zo nodig handhavend op te treden.
Wanneer is een product gebrekkig?
De nieuwe richtlijn voorziet, net als de huidige richtlijn, in een recht op vergoeding van schade als gevolg van een gebrekkig product (artikel 5). De toets voor gebrekkigheid blijft een open norm: een product is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die een persoon mag verwachten of op grond van regelgeving is vereist (artikel 7 van de nieuwe richtlijn). Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de presentatie van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik en het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht. De nieuwe richtlijn breidt deze omstandigheden uit met (i) het effect op het product van het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven of (ii) het effect op het product van andere producten waarvan kan worden verwacht dat zij samen met het product worden gebruikt, (iii) cyberbeveiligingsvoorschriften en (iv) de specifieke behoeften van de gebruikersgroep voor wie het product is bestemd. Een product dat onverwacht gedrag ontwikkelt, kan dus gebrekkig zijn. En een slimme televisie voorzien van een videoapplicatie die de gebruiker na de aankoop van de televisie moet downloaden van de website van een derde, is gebrekkig als die videoapplicatie gebrekkig is. De fabrikant van deze televisie is dan – naast de fabrikant van de videoapplicatie – aansprakelijk voor schade die wordt veroorzaakt door de gebrekkigheid van de videoapplicatie.
Wie is aansprakelijk?
De nieuwe richtlijn voorziet in een uitbreiding van de kring van aansprakelijke personen (artikel 8). De fabrikant van het gebrekkige eindproduct blijft aansprakelijk. Het is explicieter vastgelegd dat ook de producent van een gebrekkige component rechtstreeks kan worden aangesproken. Als een defect in een onderdeel leidt tot schade, bijvoorbeeld een batterij die ontbrandt in een smartphone, kan de benadeelde ervoor kiezen om direct de toeleverancier van die batterij aan te spreken. Met het oog op de ‘circulaire economie’ (denk bijvoorbeeld aan gereviseerde telefoons), worden partijen die producten ingrijpend wijzigen zonder dat de oorspronkelijke fabrikant daarover zeggenschap heeft en deze producten vervolgens in de handel brengen of in gebruik stellen, als fabrikant beschouwd. Ook zij kunnen dus rechtstreeks aangesproken worden.
Ingeval van buiten de Europese Unie gevestigde fabrikanten is nieuw dat naast de importeur ook de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk is. Die ‘gemachtigde’ is dan de in de EU gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens die fabrikant specifieke taken te vervullen. Als er geen aanspreekbare producent, EU-importeur of gemachtigde is, dan is de ‘fulfilmentdienstverlener’ aansprakelijk. Dat is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die, zonder eigenaar van dat product te zijn, in het kader van een handelsactiviteit minstens twee van de volgende diensten aanbiedt: opslag, verpakking, adressering en verzending van een product (met uitzondering van postdiensten).
Als de benadeelde niet kan vaststellen welke partij zij kan aanspreken, kan zij de distributeur van het gebrekkige product vragen om de identiteit bekend te maken. Als de distributeur nalaat binnen een maand aan dit verzoek te voldoen, is de distributeur zelf aansprakelijk. Daarbij is nieuw dat deze regeling ook van toepassing is op aanbieders van onlineplatforms die consumenten in staat stellen om op afstand overeenkomsten te sluiten, als de informatie op het platform of de wijze waarop de transactie is voltrokken de consument zou doen geloven dat het product door of op gezag van het onlineplatform zelf is aangeboden.
In dit kader kan de verordening productveiligheid (Verordening (EU) 2023/988) van belang zijn. Deze verordening is van toepassing op voor consumenten bedoelde producten en verplicht fabrikanten, importeurs, distributeurs en onlineplatforms om producten te verkopen die veilig zijn bij normaal en redelijkerwijs te verwachten gebruik. Deze verordening schrijft voor dat op producten die op de EU-markt zijn gebracht en onder de verordening vallen, een verantwoordelijke in de EU moet worden vermeld (artikel 16). Voor deze producten zou het voor de consument dus gemakkelijker moeten zijn om vast te stellen welke partij(en) op grond van de richtlijn productaansprakelijkheid aangesproken kunnen worden.
Schadebegrip
De richtlijn voorzag al in een recht op vergoeding van schade als gevolg van overlijden of lichamelijk letsel en beschadiging of vernietiging van zaken. Uitgezonderd is schade aan het gebrekkige product zelf en aan zaken die uitsluitend voor beroepsdoeleinden worden gebruikt. Voor vergoeding daarvan zal de benadeelde zich in beginsel tot de verkoper moeten wenden. Om direct de fabrikant te kunnen aanspreken, zal aan de vereisten voor onrechtmatige daad moeten zijn voldaan.
In artikel 6 van de nieuwe richtlijn wordt het schadebegrip uitgebreid met (i) medisch erkende schade aan de geestelijke gezondheid en (ii) vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens (dataverlies). De voor zaakschade geldende franchise van EUR 500 wordt afgeschaft, waardoor ook voor kleine zaakschades op grond van de richtlijn een vergoeding kan worden verkregen.
Exhibitieplicht en bewijsvermoedens
De nieuwe richtlijn introduceert in artikel 9 een exhibitieplicht. Als de eisende partij (de benadeelde natuurlijke persoon) haar vordering tot schadevergoeding aannemelijk heeft gemaakt, is de verweerder verplicht – voor zover noodzakelijk en evenredig – op verzoek toegang te verlenen tot het relevante bewijsmateriaal waarover hij beschikt. Omgekeerd geldt hetzelfde: ook de verweerder kan, als hij voldoende heeft aangetoond dat hij bewijsmateriaal nodig heeft om de vordering tot schadevergoeding te betwisten, bij de eiser dat bewijsmateriaal opvragen.
De bewijslast van de gebrekkigheid van het product, de schade en het oorzakelijk verband daartussen rust op de benadeelde partij. De nieuwe richtlijn introduceert in artikel 10 bewijsvermoedens die voorzien in een eerlijke risicoverdeling, maar niet in een bewijslastomkering. Een product wordt vermoed gebrekkig te zijn als de verweerder niet voldoet aan zijn exhibitieplicht, als het product niet voldoet aan dwingende productveiligheidsvoorschriften of als de schade werd veroorzaakt door een kennelijk disfunctioneren van het product bij redelijkerwijs te verwachten gebruik of onder normale omstandigheden. Een oorzakelijk verband wordt vermoed wanneer is vastgesteld dat het product gebrekkig is en dat de soort veroorzaakte schade doorgaans strookt met het betrokken gebrek.
In technisch of wetenschappelijk complexe zaken, waarin de eisende partij geconfronteerd wordt met buitensporige moeilijkheden om aan haar bewijslast te voldoen, hoeft zij slechts de waarschijnlijkheid van de gebrekkigheid en/of het oorzakelijk verband aan te tonen. Uit de considerans onder 48 van de nieuwe richtlijn volgt dat de technische of wetenschappelijke complexiteit per geval door de nationale rechterlijke instanties moet worden beoordeeld en dat daarbij rekening moet worden gehouden met verschillende factoren, waaronder de complexe aard van het product (zoals een innovatief medisch hulpmiddel), van de gebruikte technologie (zoals machinaal leren), van de te analyseren informatie en gegevens, en van het oorzakelijk verband (zoals een verband tussen een farmaceutisch product of voedingsmiddel en het optreden van een gezondheidsaandoening, of een verband dat alleen kan worden bewezen als de eiser de interne werking van een AI-systeem zou verduidelijken).
Verjaring en verval
Er geldt een verjaringstermijn van drie jaar voor het instellen van een vordering vanaf de dag waarop de benadeelde kennis kreeg of redelijkerwijs kennis had moeten krijgen van (a) de schade, (b) de gebrekkigheid en (c) de identiteit van de persoon die aansprakelijk gesteld kan worden (artikel 16 van de nieuwe richtlijn). Ook geldt een vervaltermijn van tien jaar vanaf de datum waarop het gebrekkige product in de handel werd gebracht of in gebruik werd gesteld (artikel 17 van de nieuwe richtlijn). Nieuw is dat hieraan wordt toegevoegd dat deze vervaltermijn (i) ingeval van een ingrijpend gewijzigd product ingaat op de datum waarop dat product na de ingrijpende wijziging ervan op de markt werd aangeboden of in gebruik werd gesteld en (ii) wordt verlengd tot 25 jaar ingeval een benadeelde vanwege de latentietijd van een lichamelijk letsel niet in staat was binnen tien jaar een procedure te beginnen.
Maximumharmonisatie en implementatie
De nieuwe richtlijn moet op 9 december 2026 zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Daartoe is het voorstel voor de Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid d.d. 18 februari 2026 bij de Tweede Kamer ingediend.
De nieuwe richtlijn gaat in beginsel uit van maximumharmonisatie (artikel 3): lidstaten mogen niet van haar bepalingen afwijken om een ander niveau van bescherming van consumenten en andere natuurlijke personen te bereiken, versoepelend noch verscherpend. Slechts op enkele punten biedt de richtlijn keuzevrijheid.
De regeling voor productaansprakelijkheid is in de Nederlandse wet opgenomen in afdeling 3 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 6:185-193 BW). Het wetsvoorstel voorziet in het toevoegen van een artikel 6:184a BW met definities, waaronder een ruimere definitie van ‘product’, en het wijzigen van de artikelen 6:185-193 BW. Hiermee worden de omstandigheden die worden betrokken bij de beoordeling van de gebrekkigheid van een product aangevuld, de kring van aansprakelijke personen verruimd, het schadebegrip verbreed en de bewijsvermoedens geïmplementeerd. In het nieuw voorgestelde artikel 6:191a BW is de verlenging van de vervaltermijn opgenomen. Naar aanleiding van het afschaffen van de franchise van EUR 500 voor zaakschade worden ook de aansprakelijkheidsbepalingen van artikel 7:24 BW (consumentenkoop) en artikel 6:173 BW (risicoaansprakelijkheid bezitter van een roerende zaak) aangepast.
Artikel 18 van de nieuwe richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om het ontwikkelingsrisico-verweer uit te sluiten. Dit verweer houdt, kort gezegd, in dat een marktdeelnemer niet aansprakelijk is als het naar de objectieve stand van de wetenschappelijke en technische kennis niet mogelijk was om het gebrek te ontdekken op het moment dat het product in de handel werd gebracht. Het voorstel voor de implementatiewet gaat ervan uit dat dit verweer mogelijk blijft (zie paragraaf 3.1.1 MvT).
In paragraaf 3.2 MvT bij het wetsvoorstel wordt uiteengezet welke bepalingen van de nieuwe richtlijn geen implementatie in de Nederlandse wet behoeven. Zo wordt geen compensatieregeling voorgesteld voor benadeelden die geen schadevergoeding kunnen krijgen omdat er geen personen zijn die aansprakelijk kunnen worden gesteld of deze personen niet meer bestaan, omdat dit geen door de richtlijn opgelegde verplichting is. Ook worden geen aanpassingen voorgesteld ten behoeve van de uitbreiding van het schadebegrip of de introductie van de exhibitieplicht, omdat de Nederlandse wet daarin al voorziet (in de artikelen 6:95, 106 en 193 BW respectievelijk de artikelen 194 en 195 Rv).
Op het moment van het schrijven van dit artikel is het wetsvoorstel in behandeling bij de Tweede Kamer. Mocht de voorgestelde wet niet tijdig in werking treden, dan zal de Nederlandse rechter het bestaande Nederlandse recht zoveel mogelijk richtlijnconform moeten uitleggen (HvJ EG 4 juli 2006, C-212/04, ECLI:EU:C:2006:443).
Wat kun je doen als bedrijfsjurist?
Met de inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn productaansprakelijkheid kunnen meer marktdeelnemers aansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door een gebrekkig product. Onlineplatforms, leveranciers van onderdelen en partijen die met gebruikte producten werken, dienen meer dan voorheen met schadeclaims rekening te houden. Voor deze partijen is het, net als voor alle andere partijen in de productieketen, raadzaam erbij stil te staan welke risico’s zij potentieel lopen en hoe die risico’s gemitigeerd kunnen worden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:
1. naleving van (productveiligheids)regelgeving
2. kwaliteitscontroles
3. lessons-learned-loop bij incidenten
4. duidelijke etikettering en instructies
5. afspraken met leveranciers en afnemers van (deel)producten over de verdeling van aansprakelijkheid
6. beoordeling van de risico’s van gebruik van andere producten in combinatie met het eigen product
7. toereikende aansprakelijkheidsverzekering (met dekking voor digitale producten/componenten)
iNHOUDSOPGAVE

