NGB Extra
Praktische handvatten voor bedrijven bij netcongestie
Michelle de Rijke (partner) , Marije van der Hoek (advocaat) en Jan Borman (advocaat), bij La Gro

Het elektriciteitsnet staat in het merendeel van Nederland onder druk. Op piekmomenten (momenten waarop veel elektriciteit wordt gevraagd of aangeboden) is er steeds vaker te weinig ruimte op het elektriciteitsnet. Dat noemen we netcongestie. Het elektriciteitsnet kan de elektriciteit dan niet tegelijk transporteren en raakt overbelast. Heb je als bedrijf toekomstplannen die resulteren in extra vraag naar elektriciteit zoals elektrificatie of uitbreiding óf heb je behoefte aan een nieuwe aansluiting, dan is de kans groot dat je met netcongestie te maken krijgt. In dit artikel beschrijven we de wijze waarop schaarse transportcapaciteit wordt toebedeeld en bespreken we een aantal mogelijke stappen die bedrijven kunnen nemen om om te gaan met de beperkingen door netcongestie.

Toedelen van schaarse transportcapaciteit
Steeds meer bedrijven met grootverbruik- of kleinverbruikaansluiting, staan in een wachtrij voor een nieuwe of zwaardere aansluiting, waardoor zij worden afgeremd in hun plannen voor groei en verduurzaming via elektrificatie. Aansluitingen op het elektriciteitsnet en transportcapaciteit worden toegekend door netbeheerders, die in de Energiewet worden aangeduid als distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s).
Zij kennen transportcapaciteit van oudsher toe op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dat brengt mee dat transportcapaciteit in beginsel wordt toegekend op basis van de datum van het verzoek: het first come first served-principe (FCFS-principe), waardoor het kan voorkomen dat transportcapaciteit aan een pretpark wordt toegekend, terwijl een ziekenhuis achteraan in de wachtrij staat.
Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen dan wel de gevolgen van het in de knel komen van die functies zoveel mogelijk te beperken, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een prioriteringskader ontwikkeld (het Prioriteringskader).[1] Dit verplicht DSB’s en TSB’s om in een congestiegebied ‘maatschappelijk’ te prioriteren bij de toekenning van schaarse transportcapaciteit.
Hierin wordt onder meer bepaald welke functies bij die toekenning voorrang krijgen op basis van objectieve criteria. Het gaat om drie categorieën: (i) congestieverzachters, het toekennen van transportcapaciteit aan deze partijen leidt ertoe dat de beschikbare transportcapaciteit, voor overige partijen toeneemt (ii) veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening vallen en (iii) basisbehoeften als afvalstoffenbeheer, onderwijs en openbaar vervoer.
Als transportverzoeken van partijen die zijn opgenomen in het Prioriteringskader prioriteit krijgen bij de toekenning van transportcapaciteit, zien bedrijven die daarbuiten vallen hun kans op toekenning verder afnemen. Dit geeft aanleiding om op zoek te gaan naar slimme oplossingen. Hieronder bespreken we een aantal mogelijke oplossingen waaraan nu al kan worden gewerkt, onder meer door (samenwerkende) bedrijven.
Slimme oplossingen op individueel niveau
Wanneer een bedrijf te maken krijgt met netcongestie, is het belangrijk om te beginnen met het verkrijgen van inzicht. Wat is het huidige verbruik van het bedrijf, wat zijn de groeiplannen, en hoeveel ruimte is beschikbaar binnen de huidige aansluit- en transportovereenkomst (ATO)? Inzicht is essentieel om de juiste maatregelen te nemen. Start bij het type aansluiting dat een bedrijf heeft en hoeveel gecontracteerd transportvermogen. Wanneer er ook inzicht is verkregen in het huidige en toekomstige verbruik, kan worden gestart met – indien het toekomstige verbruik hoger is dan het aansluit- of transportvermogen – relatief eenvoudige, besparende maatregelen.
De Erkende Maatregelenlijsten (EML) kunnen dienen als handvat. De EML is onderdeel van de energiebesparingsplicht die in 2023 is ingegaan voor ondernemers.[2]
Op deze lijsten staan energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Hiermee wordt de kans vergroot dat een bedrijf binnen de contractruimte blijft. Is besparen niet voldoende, dan kunnen mogelijk processen worden aangepast en gestuurd in tijd. Dit kan handmatig of automatisch via Energie Management Systemen (EMS). Is ook dit niet voldoende, dan zou met technische installaties zoals zonnepanelen en een batterij achter de meter kunnen worden bewerkstelligd dat meer vermogen kan worden gebruikt of opgewekt. In een laatste geval kan ook worden gevraagd aan de netbeheerder om een capaciteitsbeperkend contract (CBC) te sluiten, waarmee bedrijven de mogelijkheid krijgen om (tegen vergoeding) hun elektriciteitsverbruik flexibel aan te passen op basis van de beschikbare capaciteit op het net. Bedrijven zullen als onderdeel van dit contract (een soort flexibele ATO) hun energieverbruik op sommige momenten (piekbelasting) moeten verminderen, maar kunnen wel een aansluiting op het net krijgen of behouden.
Slimme oplossingen door samenwerken
Zijn de hiervoor genoemde slimme oplossingen op individueel niveau niet toereikend, dan kan samenwerken met andere bedrijven uitkomst bieden. Er zijn verschillende vormen van samenwerking, waaronder via een gesloten systeem, een directe lijn, cable pooling of een groepstransportovereenkomst, al dan niet in de vorm van een energiehub. In hoeverre deze hieronder uiteengezette mogelijkheden uitkomst kunnen bieden is volledig afhankelijk van de specifieke situatie van de betrokken bedrijven.
Gesloten systeem
Een gesloten systeem – voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als gesloten distributiesysteem (GDS) – is een privaat elektriciteitsnetwerk dat geen deel uitmaakt van het openbare net en één centrale aansluiting heeft bij de distributiesysteembeheerder (DSB) of transmissiesysteembeheerder (TSB). De DSB en TSB werden voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als regionale respectievelijk landelijke netbeheerder.
De wettelijke basis voor het gesloten systeem is opgenomen in de Energiewet. Een distributiesysteem voor elektriciteit is gedefinieerd als een stelsel van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van het transport van elektriciteit op een spanningsniveau lager dan 110 kilovolt met het oog op de belevering aan eindafnemers of handelaren, de levering zelf niet inbegrepen. [3] Voor dit distributiesysteem zal een DSB moeten worden aangewezen tenzij het systeem erkend is als een gesloten systeem.[4]
Om door de ACM erkend te worden als gesloten systeem moet in ieder geval aan één van de volgende twee voorwaarden zijn voldaan:[5]
- het bedrijfs- of productieproces van de aangeslotenen op het systeem is om specifieke redenen geïntegreerd met het systeem,
- of het systeem is primair bedoeld om energie te transporteren ten behoeve van de eigenaar van het systeem of daarmee verwante ondernemingen.
Chemische industrielocaties zijn een voorbeeld van de eerste optie, aangezien bij dat type locaties sprake zal zijn van een bedrijfs- of productieproces waarbij de aangeslotenen op het systeem om specifieke redenen geïntegreerd zijn met het systeem. Luchthavens zijn een voorbeeld van de tweede optie. Het systeem voor een luchthaven zal primair bedoeld zijn voor energietransport ten behoeve van de luchthaven.
Afhankelijk van het type bedrijven maar ook de locatie en het aantal andere bedrijven waarvoor een aansluiting nodig is, kan worden bezien of een gesloten systeem een optie is.

Directe lijn
Bij een directe lijn levert één (grote) opwekker van elektriciteit direct aan één of meerdere (grote) eindafnemers van elektriciteit. Er zijn twee vormen van een directe lijn[6], de directe lijn is:
- óf een volledig geïsoleerde elektriciteitsverbinding, waarbij zowel de productie-installatie als de op de directe lijn aangesloten eindafnemer(s) niet zijn aangesloten op het systeem;
- óf een elektriciteitsverbinding tussen de productie-installatie en de eindafnemer(s), waarbij ten hoogste één van de participanten (producent of eindafnemer(s) op de directe lijn een netaansluiting heeft.
Kortom, er is bij directe lijnen altijd sprake van een directe verbinding tussen twee of meer partijen, maar er is ten hoogste één producent en er is ten hoogste één van de installaties van de totaal betrokken partijen verbonden met het openbare net.
In de praktijk zijn er vooral directe lijnen op industrieterreinen en bij grote producenten.

Cable pooling
De Energiewet biedt de mogelijkheid voor verschillende perceeleigenaren om de netaansluiting van één van de aangeslotenen op die percelen te gebruiken, om via die ene aansluiting vervolgens opwekinstallaties, opslaginstallaties en/of verbruiksinstallaties van de verschillende perceeleigenaren aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Dit wordt in de praktijk aangeduid als cable pooling.
Voor cable pooling is vereist dat:[7]
- de verschillende installaties in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen;
- de eigenaren gezamenlijk één ATO sluiten met de distributiesysteembeheerder;
- de aansluitcapaciteit van de gedeelde aansluiting minimaal 100 kVA bedraagt;
- de verschillende installaties over maximaal vier percelen (WOZ-objecten) zijn verdeeld.
Om cable pooling toe te passen moet een aanvraag worden ingediend bij de distributiesysteembeheerder. De ACM moet door middel van een meldingsformulier worden geïnformeerd over de gedeelde aansluiting.

Energiehub
Een energiehub is een systeem dat binnen een bepaald geografisch gebied de opwek, opslag en het verbruik van elektriciteit (en eventueel andere energiedragers) optimaal op elkaar én op de beschikbare energie-infrastructuur afstemt. Een energiehub kan op verschillende manieren worden ingevuld. Er is geen officiële definitie van energiehubs. In de praktijk betekent energiehub meestal een lokale samenwerking, gebaseerd op afspraken, tussen meerdere partijen op het gebied van energie, waardoor lokaal duurzame energie kan worden geproduceerd en gebruikt, zelfs in gebieden met (dreigende) netcongestie. Op grond van de Energiewet kan een energiehub onder andere worden vormgegeven door energiedelen[8] of peer-to-peer handel.[9]
Ook kan binnen een energiehub worden gedacht aan het sluiten van een groepstransportovereenkomst (GTO) voor bedrijven met een grootverbruikaansluiting. Met deze nieuwe contractvorm kunnen bedrijven transportcapaciteit samen delen. De bedrijven behouden hun individuele aansluiting. DSB’s en TSB’s konden al (bij wijze van pilot) projecten waarin GTO’s werden gesloten, faciliteren, maar vanaf 1 januari 2027 zijn de netbeheerders ook daadwerkelijk tot het aanbieden van GTO’s aan grootverbruikers verplicht.De ACM verwacht dat netbeheerders de nieuwe GTO’s actief gaan aanbieden, zodat bedrijven er mee aan de slag kunnen gaan.[11] We zien in de praktijk al dat ondernemingen met een bijzondere vorm van een groepstransportovereenkomst (bijvoorbeeld capaciteitsbeperkend) op bedrijventerreinen de opwekking en het verbruik van overtollige zonnestroom onderling afstemmen, met behulp van een EMS.[11]
Ook hiervoor geldt dat afhankelijk van de situatie, kan worden bezien wat voor soort energiehub een optie zou kunnen zijn.

Conclusie
Netcongestie is niet langer een technisch probleem ‘van de netbeheerder’, maar een structurele randvoorwaarde voor groei, verduurzaming en (her)ontwikkeling van locaties. Dit artikel laat zien dat er voor bedrijven wel degelijk knoppen zijn om aan te draaien – van besparing en flexibiliteit tot samenwerkingsvormen zoals cable pooling en groepscontracten. Voor bedrijven ligt de meerwaarde in het vroegtijdig signaleren van ontwikkelingen die invloed hebben op de behoefte aan transportcapaciteit, het verkrijgen van inzicht in bestaande en toekomstige behoefte, het inventariseren van mogelijke oplossingen om om te gaan met netcongestie en het verkennen van mogelijke samenwerking met anderen, ook om de verduurzaming betaalbaar te houden en schaalvoordelen te kunnen benutten.
[1] https://www.acm.nl/nl/publicaties/codebesluit-prioriteringsruimte-transportverzoeken-2025
[2] https://www.rvo.nl/onderwerpen/energiebesparingsplicht/eml
[3] art. 1.1 Energiewet
[4] art. 3.1 en 3.2 jo art. 3.7 Energiewet
[5] art. 3.7 lid 1 sub c van de Energiewet
[6] Artikel 3.9 Energiewet.
[7] Artikel 1.4 lid 3 Energiewet en artikel 1.2 Energiebesluit
[8] Bij energiedelen is geen sprake van een fysieke afname met een fysieke verbinding tussen de energiegever en de energieontvanger. De systeembeheerder registreert bij de energiegever de hoeveelheid elektriciteit die de energiegever per kwartier deelt, en geeft dat door aan de leverancier. De leverancier zorgt er vervolgens voor dat het gedeelde volume per kwartier administratief wordt afgetrokken van de teruglevering van de energiegever en in gelijke mate wordt toegekend aan het verbruik van de energieontvanger.
[9] Bij peer-to-peer-handel vindt er wel fysieke levering plaats, via het net. Daarbij geldt niet de eis van gelijktijdigheid, zoals bij energiedelen, maar moet de leverende deelnemer ten opzichte van de afnemende deelnemer de leveringsverantwoordelijkheid dragen. Dat betekent concreet dat die deelnemer óf zelf moet leveren (en daartoe met de afnemer een leveringsovereenkomst moet sluiten) of tegen betaling een marktpartij bereid moet vinden daarin voor de deelnemer te voorzien.
iNHOUDSOPGAVE
Michelle de Rijke, partner bij La Gro
Marije van der Hoek, advocaat bij La Gro
Jan Borman, advocaat bij La Gro